Reservaties: +32 476 83 88 12
Een beetje geschiedenis

van de Rothemse molen

Geburen vertellen

Op deze zonnige vrijdagnamiddag geniet ik op het terras van de Rothemse Molen aan de oever van de Velpe van een glas fris streekbier. Dat doet deugd. Ik probeer de geluiden van de vogels te herkennen. Zijn er kwetterende mussen bij? Een merel fluit, in de verte lacht een specht. Het gesnater van de eenden en de klappende vlucht van duiven is kort nabij. ‘Kijk eens goed, misschien zie je zelfs een ijsvogeltje. Ik heb er een paar dagen geleden een zien zitten.’ Ik zit er niet alleen. Erik komt er even bij. Er hangt een aangename rustige sfeer van mensen die genieten van de natuur of van mekaar, van de streek. Wandelaars, fietsers, ook gewoon maar dorpelingen.

Apart aan een tafeltje is een dame verdiept in een boek. Ze rust even uit. Ze heeft al een heuse fietstocht achter de rug. ‘50 km’ zegt ze. Ze woont in Rotem, en wou kennis maken met de Rothemse molen. Tegen de leuning die de Velpe scheidt van het terras kijkt een man naar de vissen in de rivier. ‘Och meneer, je moest eens weten hoe dikwijls ik hier vroeger kwam vissen’. Hij denkt met weemoed terug aan de tijd dat de Velpe rijk was aan gezonde paling, lauw, witvis, karper, snoek en voorn… ‘Toen waren deze vistrappen er nog niet.’ voegt hij eraan toe. Vistrappen doen mij vooral aan zalm en forel denken. Die vissen kunnen springen en dank zij een spectaculaire opeenvolging van steeds hogerliggende kleine bakken kunnen zij stroomopwaarts zwemmen om hun paringplaatsen te bereiken. ´Hier zitten natuurlijk geen zalm of forel en de vissen uit deze beek kunnen niet springen. Daarom zorgen deze bakken ervoor dat zij de hindernis van het molenrad kunnen vermijden en toch stroomopwaarts kunnen zwemmen om te gaan paren en eieren te leggen.’

Deze man is niet de enige die aan dit plekje veel herinneringen heeft. Het is heerlijk luisteren naar de verhalen, zoals alleen mensen van de streek die kunnen vertellen, in hun eigen dialect. Ondeugende verhalen, maar zo lief en onschuldig.

Fietstoerisme, skaten, pokémons vangen of nordic walking bestond in hun jonge jaren nog niet. De jongeren zochten toen hun ontspanning in de natuur. ‘Hier kwamen wij stiekem zwemmen’ hoor ik iemand vertellen. Els vult dit verhaal aan met de woorden van Nieke Bex. Meer dan negentig jaar is ze geworden. Ze is geboren in het huisje tegenover de molen en bracht haar hele leven door langs de Velpe. ‘Ja,’ zei Nieke, ‘Hier was ons strand’, en ze voegt er met een knipoogje aan toe: ‘We gingen er veel zwemmen: met en ook soms zonder zwembroek’. Ze had er nog steeds deugd van!

Nieke kende heel wat verhalen, over de streek, over de oorlog. Spijtig genoeg kan ze ze niet meer vertellen. Ze overleed in maart 2019. We zijn er echter zeker van dat we via haar familie en buren toch nog heel wat verhalen zullen terugvinden.

Vele leerlingen van de dorpsschool hebben ooit de Rothemse molen bezocht. Voor de meesters was het een ideale gelegenheid om aanschouwelijk de economie, aardrijkskunde en geschiedenis van de streek uit te leggen. Ik kan me de wandeling zeer goed voorstellen. De meesters spreken niet zomaar over bomen, gras en onkruid. Maar over wilgen, populieren, canadabomen. Ook gras en onkruid krijgen namen, soms zo mooi in het dialect.’Reinvoart bijvoorbeeld. Leo en Jozef van de volkskunstgroep ‘Reinvoart’ en van het ‘Reinvoartmuseum’ legden me vroeger al eens uit dat het de Halense benaming was voor het boerenwormkruid. De meesters vertelden ongetwijfeld dat de jonge blaadjes geplukt werden om er pannekoeken mee te bakken. Wat ze er toen zeker niet bij vermeldden was dat de gele bloemen gebruikt werden om de ‘reinvoart-jenever’ zijn typische smaak te geven. Dat zullen de jonge snaken van toen later zelf wel ontdekt hebben.

Mooie herinneringen aan de molen hebben ook de kinderen van landbouwers. Ze mochten al eens mee met paard en kar wanneer de graanoogst naar de molen gebracht werd om te laten malen. Dat was echt kermis voor hen. Wat is er immers plezieriger dan op de zakken te mogen zitten terwijl de molenaar de zakken omhoog trok via het luik?

Ook ‘Niekes huisje’ tegenover de molen oefende een speciale aantrekkingskracht uit op deze jongeren. Het was al een hele tijd verlaten, bouwvallig. Welk geheim is er verborgen in dit oude gebouwtje? Waarom wou hier niemand komen wonen? In hun fantasie weefden ze er de meest fantastische verhalen rond. Het kon niet anders of er dwaalden hier spoken rond. Ze noemden het dan ook het spookhuisje. Maar wanneer ze er kwamen spelen, hebben ze nooit de spoken gezien.

Later, wanneer de dorpsschool vervangen werd door hogere studies, verdween hun fantasie. Het hoge gras langs de oever van de Velpe, sprak hen meer aan. Het was de ideale plek om de eerste kusjes uit te wisselen. Hoe zou Nieke dit verteld hebben? De pretlichtjes zouden zeker geschitterd hebben in haar ogen!.

Nog later in hun leven bleef de omgeving van de molen populair. Ook nu nog. Op hun huwelijksdag vinden ze de weg naar de Velpe en zijn molen. Niet stiekem meer. Iedereen mag meegenieten van hun speciale dag terwijl ze poseren bij het water en het rad. Ook voor de communiefoto’s van hun kinderen vinden ze de weg naar de molen. Hoe komt het toch dat oude bouwvallige boerenhuizen, kerken en kloosters, kapelletjes, oude molens… de mensen zo blijven aanspreken?

Het wordt laat nu. De zonsondergang zal niet lang op zich laten wachten. Ik genoot hier van een rustige lange namiddag. Ik zou nog graag een molenhapje eten. Ik kan kiezen tussen verschillende streekgerechten. Een rijkelijk gevulde gemengde schotel. Uitnodigend. Pens met appelmoes, Krieken met balletjes … sappig en geurend. Als toemaatje geef ik mezelf nog een cadeautje: een zelfgemaakte kaastaart.

Ik had vandaag ook het boek ‘Sagen uit Limburg’ bij. Dit boek is één van de zes delen van de reeks ‘Op verhaal komen’. Deze reeks is het resultaat van onderzoekingen die al in 1940 startten door de Leuvense professor K.C. Peeters aan de K.U.Leuven en dat later voortgezet werd door Stefaan Top. Het veldwerk van tientallen studenten die een volkskundige licentiaatsverhandeling schreven, resulteerde in een verhalencollectie van meer dan 100.000 sagen uit alle Vlaamse provincies. Hierbij zijn er 22.000 uit de provincie Limburg.[1]

Tot slot van dit artikel geef ik er één weer dat verteld werd door een gepensioneerde mijnwerker uit Herk de stad, maar het speelde zich af ergens in Halen.

De vader van de mijnwerker reed op zeker ogenblik met paard en kar naar zijn veld in Halen. Toen hij na zijn werk terug naar huis keerde, bleef het paard op de steenweg voor een huis staan. Wat ‘pa’ ook probeerde, hij vond geen middel om het paard verder te doen gaan. Het bleef maar weigeren. Pa verloor zijn geduld, werd kwaad. Dan kwam er een oude wijze man van meer dan tachtig jaar voorbij. ‘Ge moogt uw paard niet slaan’ zei hij. ‘Ga in die hoeve daar wat palm en wijwater halen en maak daarmee een kruis voor de kop van het paard.’

Pa deed wat de oude man hem zei. Je kan het vervolg al raden: het paard ging verder en pa kon naar huis. Maar eerst kreeg hij nog een gouden raad mee van de oude man: ‘nooit uw paard slaan, en palm gaan halen links van de weg, als gij rechts staat van de weg’

[1] Op verhaal komen, Limburgs Sagenboek, Stefaan Top, Davidsfonds Leuven, 2004, pag.176., .


Met dank aan Johan Lambrechts voor de tekst.
https://unsplash.com/@quanle2819
https://unsplash.com/@quanle2819